Zoeken
  • Pim Stultiens

Werkgever valt onder de verplichtstelling van BPF Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw (PHJ)

Werkgever houdt zich bezig met het vervoerbaar maken van machines, machineonderdelen en andere kapitaalgoederen. Het industrieel transport ervan vindt vooral over zee plaats. De te vervoeren goederen worden in aluminium hoezen, in houten kisten en in kratten verpakt en met spanbanden en balken op houten vloeren, pallets en bokken in (zee-)containers geplaatst. Werkgever vervaardigt zelf een substantieel deel van de houten verpakkingsmaterialen die noodzakelijk zijn voor schadevrij vervoer.


Werkgever volgt de cao voor de Houtverwerkende Industie maar geeft aan niet gebonden te zijn aan deze cao omdat hij geen lid is van een werkgeverspartij. Het pensioen van de werknemers is vanaf 1 januari 2007 ondergebracht bij Aegon (voor de productiemedewerkers een BP-regeling met een vaste premie van 6% van de pensioengrondslag).


Op 4 mei 2017 heeft PHJ een bedrijfsactiviteitenonderzoek laten uitvoeren:

  • De onderneming houdt zich voornamelijk bezig met het emballeren van goederen voor klanten; het zodanig verpakken van machines en andere kapitaalgoederen (inclusief de opslag en het beheren van de voorraad voor de klant) dat deze op tijd, in goede staat (dus onbeschadigd) op de gewenste eindbestemming aankomen.

  • In de bedrijfshal worden o.a. houten kisten, kratten, vloeren, bokken en dergelijke worden op maat gemaakt.

  • De productie van de houten kisten, kratten, vloeren, bokken en dergelijke is alleen bedoeld voor het inpakken en vervoeren van de producten.

  • Op dit moment beslaat de hal zo’n 4500 m2 waarvan de productieruimte voor de productie van houten kisten, kratten, vloeren, bokken en dergelijke zo’n 1000 m2 beslaat.

Volgens PHJ valt de werkgever vanaf 1 januari 2007 onder de verplichtstelling. De werkgever geeft aan dat de houten kisten slechts worden gemaakt ter ondersteuning van de hoofdactiviteit (de expiditie van machines en andere kapitaalgoederen). Hij verwijst naar een hoofdzakelijkheidscriterium echter de verplichtstelling van PHJ kent geen hoofdzakelijkheidscriterium.


Op 24 oktober 2019 stuurt PHJ een ambtshalve premienota over de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2019 van € 3.036.097,86.


Alle vorderingen van de werkgever worden uiteindelijk door de rechtbank afgewezen:

  • Uitleg werkingssfeer: de vervaardiging van houten kisten, kratten, vloeren, bokken en dergelijke kan niet worden losgezien van wat de werkgever als haar hoofdactiviteit beschouwt en wat zij ter zitting ‘het vervoerbaar maken’ van kapitaalgoederen heeft genoemd. De productie van houten kisten en dergelijke vormt aldus een wezenlijk onderdeel van de algehele ‘transportoplossing’ die de werkgever haar klanten zegt te bieden. De werkgever valt onder de verplichtstelling van PHJ.

  • Aansluitingsdatum: zoals blijkt uit de notitie die haar toenmalige adviseur heeft opgesteld ter voorbereiding van het gesprek van 27 juni 2019, is de werkgever er - met PHJ - vanuit blijven gaan dat aansluiting met ingang van een latere datum dan 1 januari 2007 slechts mogelijk zou zijn als bedoeld risico voor het bedrijfstakpensioenfonds kon worden afgedekt. Vast staat dat de voorwaarden waaronder PHJ bereid was de werkgever tegemoet te komen niet zijn gerealiseerd.

  • Verjaringsberoep: er geldt ingevolge artikel 3:306 BW een verjaringstermijn van 20 jaar vanaf het moment waarop de vordering tot premieafdracht van rechtswege is ontstaan. Het verjaringsberoep van [eiseres] slaagt daarom niet.

PHJ ter zitting heeft toegezegd dat na het vonnis samen met de werkgever zal worden onderzocht of de schatting (af te dragen premie) moet worden bijgesteld, alsook dat na een mogelijk vrijstellingsverzoek van de werkgever zal worden beoordeeld of en hoe haar ‘eigen’ pensioenregeling gelijkwaardig kan worden gemaakt en of de waarde ervan collectief kan worden overgedragen.


De volledige uitspraak.

62 keer bekeken0 reacties